Auteursarchief: admin

Liever trots dan zielig, denkt de vos

Er was eens een vos die enorme honger had. Hij kwam langs een prieel en zag daar in de hoogte lekkere druiven hangen, ‘helemaal rijp, zo leek het, donkerpaars van kleur’. Hij wilde er graag van eten, maar hij kon er niet bij. De muur was veel te hoog. Het kostte hem moeite om dat toe te geven, want hij was een trotse vos die zich graag voordeed als een edele sinjeur. Kon zo’n edele sinjeur tegen zichzelf zeggen dat hij honger had, maar niet bij de druiven kon? ‘En dus bedroog hij / zijn eigen maag en zei: „Ze zijn mij veel te groen / en zuur, dit is geen deftig vosseneten.”’ Zo hield hij zijn eigenwaarde in stand. En zijn honger.

Het verhaaltje komt uit de nieuwe vertaling van de Fabels van Jean de La Fontaine (1621-1695). Je zou bij zo’n fabel een moraal verwachten, maar die ontbreekt. Wat moeten we denken van een trotse vos die zijn neus ophaalt voor waar hij in werkelijkheid helemaal niet bij kan? Het slot van het gedicht is verrassend: ‘In elk geval was dat nog beter / dan dat hij zielig was gaan doen.’

Jean de La Fontaine: Fabels. Vert. Marietje d’Hane-Scheltema en geïllustreerd door Floris Tilanus. Van Oorschot

Zelf pijniging door ouderen (radiofragment)

Dit bericht bevat een radiofragment over achtergronden van zelfpijniging door ouderen. In een interview wordt duidelijk hoe verborgen dit kan zijn. Je nagel zetten in een muggenbeet om jeuk tegen te gaan,  is vorm van zelfpijniging.

Ook maatschappelijk succesvolle dertig-plussers hebben last van gevoelens waarvoor zelf pijniging een uitweg lijkt te bieden. Door de pijniging neemt ook het isolement toe. Door in psychotherapie te gaan, wordt de cirkel doorbroken.

MP3 geluidsbestand van de NPO-Website. Duur 15 minuten. radiofragment

(Door op de link te klikken opent zich een nieuw venster).

Het interview heeft als doel een taboe over zelf pijniging  bij ouderen te doorbreken.

Pijniging kan verergeren in stelselmatige en hoogfrequente automutileren. Hiervoor is  psychiatrische hulp nodig. De praktijk biedt deze mogelijkheid niet.

Kennis-overdracht-vertrouwen

Het kennis-overdracht-vertrouwen, “epistemic trust ” is een sociale vaardigheid die je leert in je kindertijd.  Het ontwikkelen van dit vertrouwen is een proces waarin ouders hun kinderen leren in te schatten bij wie ze hun natuurlijke waakzaamheid op het gebied van kennisoverdracht kunnen laten varen, en bij wie ze dat beter niet kunnen doen.

Een belangrijk onderdeel van de inschatting is waar te nemen hoe iemand werkelijk tegenover je staat en welke belangen er in het geding zijn. De inschatting is van waarde omdat voor een groot deel van de kennis geldt dat  het ondoenlijk of zelf onmogelijk is om zelf te onderzoeken in hoeverre de overgedragen kennis te vertrouwen is.

De verwevenheid van het kunnen vertrouwen van iemand en het gebruik maken van zijn kennis, maakt ook iets anders zichtbaar. Het is van belang dat kinderen in staat zijn om zich ontvankelijk, (leerbaar) op te stellen om er vervolgens waardering voor te krijgen. Het roept het  beeld op dat hij/zij de moeite waard is om kennis aan over te dragen

Ontwikkeling van vriendschappen

Psychologen Altman en Taylor ontwikkelden in het begin van de jaren zeventig een belangrijke theorie over de groei van vriendschappen. Zij stellen dat wederzijdse openheid dé motor is van de ontwikkeling van relaties. Dit betekent dat wanneer vriendschappen zich ontwikkelen, de één open is tegen de ander en de ander open reageert.

Verder is het noodzakelijk dat de intimiteit van informatie die gedeeld wordt, op een gelijkwaardige manier toeneemt. Gelijkwaardigheid is essentieel.  We ervaren mensen die niet open reageren op onze intieme openheid als koud en afstandelijk. Daarnaast vinden we het niet passend als iemand in het eerste contact direct al intieme informatie met ons deelt.

Onderzoekers vonden strikte regels omtrent welke informatie in welk stadium van de vriendschap gedeeld mag worden. Op het overtreden van deze regels staan sancties zoals een negatief oordeel over de ander en soms sociale uitsluiting.

Mensen met een depressie zijn vaak te open over hun negatieve gevoelens. Een tegenreactie is te vertellen hoe ze zich moeten gedragen en denken. Wanneer dit niet snel genoeg wordt opgevolgd, volgt sociale uitsluiting. De andere kant, niet open zijn zoals bij sociaal angstige mensen veel voorkomt, zorgt ook voor sociale uitsluiting. Niet open zijn wordt gezien als koud en afstandelijk en geeft de boodschap af dat de vriendschap niet verder ontwikkeld kan worden.

In psychotherapie speelt openheid een belangrijke rol. Open zijn over gebeurtenissen die je zelf hebt meegemaakt, leidt tot psychisch herstel.

Zie ook wikipedia: Social penetration theory

Psychotherapie voor betere gevoelens en bevredigende relaties.

Autobiografisch geheugen en “My worst sins”

In het boek “Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt” stelt auteur Douwe Draaisma zichzelf de vraag: “Waarom hebben we een krankzinnig goed geheugen voor vernederingen?”. “My worst sins” hebben een vernederende werking.

Op zoek naar een antwoord komt hij uit bij psycholoog Willem Wagenaar. Wagenaar heeft een studie gemaakt van zijn dagboek en de werking van zijn geheugen. Daartoe maakte hij een  analyse van de gebeurtenissen uit het dagboek door deze in categorieën onder te verdelen. Hij maakte de categorie:  “zeer onaangename gebeurtenissen waarvan ik zelf de oorzaak was, My worst sins.”

Van de 1605 gebeurtenissen waarover hij gedurende vier jaar notities had bijgehouden waren er elf die in deze categorie vielen. Wagenaar geeft het voorbeeld van de keer dat hij op hoge toon een mevrouw aansprak die voor zijn huis parkeerde. Het bleek een invalide vrouw te zijn, in het bezit van een speciale vergunning, op bezoek bij de buren.

Van alle type herinneringen, bleken de  herinneringen uit deze categorie het makkelijkst op te roepen. Dit ging zelfs beter dan de zeer onaangename herinneringen waarvan hijzelf niet de oorzaak was. Waar Wagenaar in het algemeen de neiging had onaangename herinneringen sneller te vergeten dan aangename, bleken de werkelijk héél onaangename herinneringen heel zorgvuldig geregistreerd te zijn.

Wagenaar vermoedt dat scherpe herinneringen aan dergelijke gebeurtenissen een rol spelen in het bijstellen van het zelfbeeld. Daartoe slaat ons geheugen juist de uitzonderingen, de voorvallen die het moeilijkst met ons zelfbeeld in overeenstemming zijn te brengen, zo goed op.  Deze herinneringen zorgen er voor dat ons zelfbeeld niet te ver van de werkelijkheid komt te staan.

In dit opzicht hebben ‘worst sins’ een heimelijke productiviteit die ze gemeen hebben met vernederingen. Vernederingen hebben soms een uitwerking die de opslag als het ware garandeert. Tevens kunnen ‘worst sins’ en vernederingen meer doen dan het zelfbeeld bijwerken. Soms geven ze een beslissende wending aan het leven en worden ze met gepaste eerbied bijgezet in het geheugen.

Oorspronkelijke bron “W.A. Wagenaar, ‘Remembering my worst sins: how autobiographical  memory serves the updating of the conceptual self”

 

 

Schaamtebeleving

“Wie de schaamtebeleving goed beschouwt, ziet dat zich-schamen er juist in bestaat dat men zich gevoelsmatig, tegen beter weten in, met de minachter identificeert en dat men de haat die deze opwek,  in onwillekeurige onderdanigheid tegen zichzelf richt. (….) Het feit dat die mensen – meestal-  zwegen en dat dan was uit schaamte over de slechte behandeling, blijft de meest waarschijnlijke”.  -Loden Vogel.

Bladzijde 83

Zoals menig vader Prediker of Jesaja citeert, zo citeerde mijn vader literatuurcriticus Kees Fens. Het „Fens zegt” lag hem in de mond bestorven…. (…).

„Fens zegt dat Thea Beckman niet goed is!”

Dat was een zware slag, die mij misschien nog iets harder trof dan de anderen. In Het rad van Fortuin, een boek dat zich tijdens de bloedige Honderdjarige Oorlog afspeelt, stond een zin die ik al weken lang met ingehouden adem over las. ‘Blz 83’ had ik zelfs in ragdunne lettertjes op het schutblad geschreven.

De ongeletterde houwdegen Bertrand du Guesclin, legeraanvoerder van de Fransen, spreekt zijn bewondering uit als zijn jonge vriend Matthis Cuvelier, een verlegen dichter die geen bloed kan zien, hem in de gevangenis komt opzoeken. „‚Alleen om te weten hoe het met me ging ben je het kamp binnengekomen? Drommels, daar was moed voor nodig’, zegt Bertrand. De mannen glimlachen tegen elkaar. Beiden weten ze dat Matthis’ moed niet een kwestie is van sterke armen, doodsverachting en dierlijke bloeddorst, maar het voortdurend overwinnen van de angsten uit zijn kinderjaren.”

Thea Beckman, de schrijfster, zette beide soorten moed, het overwinnen van het Engelse leger en het overwinnen van verlegenheid, op eenzelfde lijn.

Een versie van dit artikel verscheen op dinsdag 28 juli 2015 in NRC Handelsblad.

Patroonherkenning

Zoek de dalmatiër: Ergens in dit plaatje zit een dalmatiër verborgen. Als je even zoekt kun je hem vast wel vinden, en als je hem eenmaal hebt gevonden kun je hem niet meer uit het plaatje wegdenken.

Neem het volgende eens in overweging: staat die dalmatiër er eigenlijk wel of heb je hem alleen maar gezien omdat je op zoek was naar de hond in het plaatje?  Staat er een dalmatiër op dit plaatje? Als je goed zoekt, kun je hem vast wel vinden. De hersenen zijn namelijk erg goed in het vinden van betekenisvolle patronen.

De hersenen hebben een enorm vermogen tot patroonherkenning. Ze gaan soms zelfs zo ver in het vinden van betekenisvolle patronen in een chaotisch geheel, dat mensen op allerlei plekken dingen gaan zien die er eigenlijk niet zijn. Een voorbeeld daarvan is wel erg frappant: het zogenaamde gezicht op Mars. De wereld stond op zijn kop toen wetenschappers een heuvel op Mars vonden die leek op een menselijk gezicht. Was er dan toch een beschaving op Mars geweest? Het antwoord is nee: het was het vermogen en behoefte tot patroonherkenning dat ons parten speelde.

M & M Experiment

In een bekend experiment (Gopnik en Astington, 1998) kregen kinderen van drie tot zes jaar oud een langwerpig zakje M & M’s te zien, waarna hun werd gevraagd wat ze dachten dat erin zat. Allemaal antwoorden ze ‘M & M’s’, en vermoedelijk werden ze allemaal teleurgesteld toen ze te zien kregen dat er een alleen maar een potlood in het zakje zat. Lees verder

De grote trek

Ik zag de overburen op een ochtend
hun koffers zeelucht pakken.
Mijn karavaan speelkameraadjes was de staart
van hun vlieger die wuivend uit het autoraampje
onder een balkon bleef steken
voor hij de hoek om boog.

Ze togen naar de Zandkastelen Stad
onder de rook van Amsterdam, zeiden de achterblijvers,
zonder de rook van Amsterdam, zeiden ze
want naar zeewind frisse lucht ging hun vlucht
van meeuwen die vaders kapitein maakt.

Niet de mijne. Halverwege sloeg de zon
zijn schaduw in het aquarium van onze etage
waar ik tegen het glas gedrukt steeds bleker
hun verdwijning na bleef staren
tot ze de hoek om waren van mijn geheugen.

Op de kust, zei mijn moeder later, zijn ook zij uiteengeslagen.
Wel bleven ze er wonen, nog een tijdje,
in lichte bunkers met open ramen.

Uit: ‘Koffers zeelucht’, 2003.